Onder slagwerk wordt in de muziek verstaan: de muziekinstrumenten die men doorgaans d.m.v. een slagtechniek bespeelt, zoals de diverse soorten trommels, bekkens en kleinere instrumenten zonder specifieke toonhoogte. Voorts bestaan er slagwerkinstrumenten met een specifieke toonhoogte, zoals de pauken en de gong. Het drumstel (een combinatie van trommels, bekkens en soms ook percussie-instrumenten)wordt veelal gebruikt in pop- en rockbands, in jazzmuziek en steeds vaker in orkestverband.
Veel slagwerk wordt bespeeld met behulp van stokken (vaak van hout, soms van kunststof of metaal). Soms zijn de stokken voorzien van koppen die met vilt of draad omwonden kunnen zijn, zoals de stokken van de marimba. Diverse trommels en derivaten worden ook soms met de hand bespeeld. De grote trom en bekkens kennen soms een met een pedaal bediende stok.
Sommige 'afwijkende' speeltechnieken worden door slagwerkers soms gebruikt waarbij niet de slag met een stok of met de hand, maar een ander wijze van klankvoortbrenging wordt gebruikt. Hoewel vrijwel alle slagwerkinstrumenten door middel van een slagtechniek bespeeld kunnen worden, zijn er ook variaties en alternatieven: met of zonder stok slaan (met de hand). Sommige slagwerkinstrumenten, zoals de vibrafoon en crotales kunnen bovendien met een strijkstok (meestal die van een contrabas) bespeeld worden, hetgeen genoteerd wordt als arco. Ook shakers (bijvoorbeeld kalebassen met daarin pitjes, of sambaballen worden niet altijd door slag, maar door puur bewegen tot klinken gebracht.
Percussie
Onder percussie wordt meestal verstaan: de kleinere slagwerkinstrumenten en een aantal instrumenten die uit de wereldmuziek afkomstig zijn, dat wil zeggen: uit andere dan de westerse klassiek muzikale traditie, zoals de claves, conga's, bongo's en de güiro.
Naast pure percussieve instrumenten zonder een duidelijk gedefinieerde toonhoogte bestaan er ook slagwerkinstrumenten, die duidelijk een melodie of harmonie (akkoorden) kunnen voortbrengen, zoals:
- marimba
- vibrafoon
- glockenspiel
- buisklokkenspel
Pauken
Een pauk is een keteltrom met een gedefinieerde toonhoogte.
Op een koperen of kunststof ketel (doorsnede 50 tot 80cm) is een vel gespannen. Vroeger gebruikte men kalfshuid, maar tegenwoordig steeds vaker ook synthetisch vervaardigde vellen. Door met een stok/knuppel mallet op het vel te slaan zal een bepaalde toon klinken. De toonhoogte is afhankelijk van de spanning van het vel en de plaats waarop het vel geraakt wordt. De grootte van de eronder liggende resonantieruimte bepaalt in welk toonbereik de pauk gebruikt kan worden.
Bij de machinepauk wordt de velspanning geregeld met een hendel. De meeste moderne orkestpauken zijn uitgerust met een pedaal dat de spanning in het vel regelt. Met een mechaniek van trekstangen wordt de positie van het pedaal omgezet in de gewenste velspanning. Voor het gemak van de paukenist (of paukslager) wordt een toonwijzer toegevoegd om een visuele indicatie te geven van de velspanning. De toonwijzer geeft daarbij grofweg aan op welke noot de pauk ingesteld staat.
De klankkleur is sterk afhankelijk van het gebruikte materiaal van de kop van de stok (kurk, leer, vilt) en van de plaats waar het vel geraakt wordt, en - in veel mindere mate - de constructie van de pauk. Sommige orkesten, speciaal het Koninklijk Concertgebouworkest en de Wiener Philharmoniker, gebruiken pauken die aan de onderkant open zijn.
Er bestaan ontzaglijk veel trommels, vooral als men de zeer uiteenlopende trommels en gongs van primitieve volkeren meerekent. In het symfonieorkest worden er maar weinig slaginstrumenten gebruikt. De meest gebruikte hiervan is de pauk die door de paukenist wordt bespeeld.